Verhaal Ylse

22 oktober 1996

Het is acht uur ’s ochtends, in de verte hoor ik een ambulance. Ik zit aan de ontbijttafel achter twee onbesmeerde crackers. Ik eet ze niet op, heb geen honger. Ook mijn broodtrommeltje laat ik leeg, naar mijn middelbare school ga ik vandaag niet meer. Ik ben verstijfd of beter gezegd verdoofd door het telefoontje dat we zojuist ontvingen. Wieuw, wieuw, wieuw, de sirenes klinken steeds luider. In gedachten zie ik hoe de ziekenwagen door de Friese weilanden scheurt, richting de polderweg Haudmare. Voor het eerst in mijn leven zit ik naar een ambulance te luisteren waarvan ik zeker weet wie erin ligt; mijn twaalfjarige zusje Ylse.

Een paar uur later belt mijn vader me vanuit het ziekenhuis met details over het ongeluk. Een man die onoplettend aan zijn autoradio draaide was naar links afgekoerst en op mijn vader en zusje ingereden. Mijn vader was gewond aan zijn linkerarm, maar mijn zusje was vol geschept en van de motorkap met een zwieper in de sloot beland. De klap met de auto had haar botten gebroken, het slootwater had haar onderkoeld. Het zag er niet goed uit, maar ze ademde nog.

Aan het einde van de middag sta ik met mijn ouders en jongere zusje naast Ylses ziekenhuisbed. De artsen hebben haar zojuist hersendood verklaard. Afscheid nemen van een lijk is weerzinwekkend. Ylse op de intensive care zien liggen, blijft één van de grootste schrikbeelden die ik ooit op mijn netvlies heb gehad. Haar kapotte lichaam, haar opgezwollen hoofd met bloedvegen erop, haar blonde haar met rode bloedstrengen erin, de slang die uit haar mond hing en het speeksel dat daaruit droop. Dit omhulsel was Ylse niet meer. Ik heb haar nog wel aangeraakt. Met tegenzin heb ik mijn dode zusje gekust. In mijn hand hield ik een stukje goudkleurig pyriet dat ik eens op vakantie in Frankrijk had gekocht. Ik droeg het de hele dag al bij me in de hoop dat het geluk zou brengen. Langzaam strijk ik het steentje eerst over mijn wang en daarna over haar wang.

7 december 2008

Twaalf jaar later stap ik op een vliegtuig naar Khartoem, de hoofdstad van Soedan. Als studente geschiedenis heb ik mijn masterdiploma gehaald met een scriptie over de Nederlandse ontdekkingsreiziger Juan Maria Schuver die door het stroomgebied van de Blauwe en Witte Nijl reisde. Mijn droom is deze avonturier na te reizen en te onderzoeken hoe hij eind 19e eeuw ergens diep in de Zuid Soedanese binnenlanden stierf. Vijf maanden zal ik door Afrika reizen. Ik bijt me volledig vast in de omzwervingen en het lot van deze man, maar ondertussen gebeurt er iets anders. Iets wat ik nooit had zien aankomen en waarop ik totaal niet voorbereid ben.

Mijn reis door Afrika confronteert me onvermijdelijk met de dood. In Zuid-Soedan beland ik middenin een oorlog. Ik heb een romance met een Dinka die als jongere in het leger moest en zelf heeft gedood. In Khartoem kom ik bij het gezin van mijn gids te wonen, zij hebben een zoon verloren. Hierdoor gebeurt er iets wonderlijks; ik begin voor het eerst in meer dan tien jaar over Ylse te praten. Er is vooral een klik met de zus van mijn gids, Fatima. We slapen in dezelfde kamer en ’s avonds in het donker hebben we tot diep in de nacht girltalk. Maar dan begint zij ineens over haar overleden broer. Fatima en ik verschillen enorm, maar we vinden elkaar in ons verdriet. Haar broer zat bij de luchtmacht van het leger en stortte neer met zijn vliegtuig. Mijn zusje verongelukte al fietsend op weg naar school. We kijken elkaar aan terwijl we woorden proberen te vinden voor het abrupte, het definitieve, het onomkeerbare, maar vallen elkaar dan huilend in de armen. Er zijn geen woorden om het uit te leggen; niet in het Engels, niet in het Arabisch en niet in het Nederlands.

De ontmoetingen, ervaringen en gesprekken in Afrika halen veel overhoop. Eenmaal terug in Nederland weet ik niet waar ik het moet zoeken. Overweldigd door de confrontatie met herinneringen en jarenlang weggedrukte emoties raak ik eerst manisch en daarna psychotisch. Uiteindelijk zie ik in een bijna-doodervaring Ylse terug. Ze betreedt mijn kamer, zit bij me, glimlacht, luistert naar me. Het is alsof alleen zij het me duidelijk kan maken: zo kan het niet langer. Mijn onverwerkte trauma openbaart zich letterlijk op een waanzinnige manier.

25 maart 2017

Ruim twintig jaar na Ylses dood bezoek ik mijn eerste lotgenoten dag voor nabestaanden van verkeersslachtoffers. Ik ga er zonder verwachtingen naar toe, maar de impact ervan overweldigt me. Schuin tegenover me zit een meisje, bruine krullen, bleek gezicht. Ik schat haar leeftijd eind basisschool. Zodra ze haar verhaal vertelt rollen de tranen me over de wangen, ik kan ze niet tegenhouden. Ze heeft pas geleden haar moeder bij een verkeersongeluk verloren en blijkt vijftien jaar oud. Met een schok komt het binnen: ik zit tegenover mezelf van twintig jaar geleden. En schok twee: ik schatte haar leeftijd verkeerd. Het meisje kijkt terug alsof ze mijn spiegelbeeld is. Ze doet mee inzien hoe jong ik zelf destijds was.

Twintig jaar na Ylses dood waag ik een poging de balans op te maken. Het kleine Friese dorp waarin ik opgroeide was in de jaren negentig niet ingesteld op adequate hulpverlening. Na het ongeluk was ik volledig op mezelf aangewezen. Gek genoeg is haar dood voor mij op dit moment actueler dan ooit. Na een lang ziekte- en herstelproces heb ik de afgelopen jaren gewerkt aan een boek waarin ik de dood van mijn zusje verwerk. De Nijl in mij heb ik het genoemd. Wat ik als vijftienjarige niet kon, lukte uiteindelijk pas op mijn vijfendertigste: 22 oktober 1996 achter me laten.

Nu mijn boek af is ben ik eraan toe om een eigen monument voor mijn zusje op te richten. Op de eerste pagina van het manuscript typ ik: ‘Voor Ylse’.


Fleur van der Bij, nabestaande

Zus van Ylse